Ik ben bang dat vertalers op zoek zullen moeten naar een nieuwe plek in een wereld met AI. Maar welke dan? Hoe kunnen we ons onderscheiden? Wat maakt ons uniek? Wat kunnen wij dat AI niet kan en (misschien) nooit zal kunnen?
Deze tekst is een enigszins gesaneerde versie van een praatje dat ik in november 2025 heb gehouden op het werkcongres van de Vlaamse Auteursvereniging.
Een paar jaar geleden was ik het vertalen helemaal zat – toen ben ik aan mijn eigen debuutroman begonnen: Ossenkop. Ik zal het plot kort samenvatten, want het is van belang voor wat hierna komt.
Ossenkop gaat over een slagerszoon, Rensing genaamd, die de beste slager van de wereld wil zijn. En dat zou nog kunnen lukken ook, want hij is verschrikkelijk goed in zijn vak. Al vanaf zijn prilste jeugd is hij met niets anders bezig dan met vlees en slachten. Later is zijn vader niet altijd even enthousiast over alle innovaties die zijn zoon voorstelt – eerlijk gezegd zijn ze niet allemaal even praktisch of doordacht – maar ‘gelukkig’ komt hij te overlijden zodat Rensing de slagerij erft. Nu kan hij los: hij koopt de duurste runderen op de veemarkt en verwerkt ze tot het beste vlees wat er ooit in het dorp te koop is geweest.
Vrijwel direct stuit hij op een probleem: Al die prachtige biefstukken, die dunne plakjes rosbief die smelten op de tong – zijn natuurlijk verschrikkelijk duur. En hoe goed het vlees wat hij verkoopt ook is, er zijn in zo’n dorp lang niet genoeg klanten bereid om daarvoor te betalen. Sterker nog: de meesten proeven het verschil niet eens.
Onze beroepsgroep werkt zich drie keer in de rondte om de best mogelijke vertalingen af te leveren, en af en toe is het heel frustrerend dat zo weinig mensen dat doorhebben
Na het verschijnen van het kwam er meer dan één collega-vertaler naar me toe met de vraag: gaat dit stiekem over vertalers? Want onze beroepsgroep werkt zich drie keer in de rondte om de best mogelijke vertalingen af te leveren, en af en toe is het heel frustrerend dat zo weinig mensen dat doorhebben. Hoe goed onze vondsten ook zijn, hoe getrouw onze zinnen: de meeste lezers zien het niet. Dat kun je ze niet kwalijk nemen: als vertalers zijn wij maandenlang met zo’n boek bezig, zij hebben het in een avondje uit. Zij kunnen niet weten hoe goed we de toon hebben getroffen, hoe knap we de onvertaalbare woordgrappen hebben overgezet… maar frustrerend is het wel. Je legt je ziel en zaligheid in een vertaling en je krijgt er niks voor terug.
Ze hadden het goed gezien, die collega-vertalers, want bij het schrijven had ik expliciet mijn vertaalwerk in gedachten. Een van de redenen waarom ik het vertalen destijds niet meer leuk vond is dat je zo weinig waardering krijgt. Een perfecte vertaling is onzichtbaar en dat is jammer.
In mijn roman neemt mijn slager tenslotte wraak op zijn dorpsgenoten omdat ze zijn kwaliteiten niet zien: hij gaat zijn best doen om ze het slechtste voor te zetten wat hij kan leveren. Om zijn gelijk bewezen te zien. ‘Ze proeven het toch niet’. Een vrij extreme optie. Terzijde: ik hoorde ooit hoe dat eruit zou kunnen zien in de context van vertalen: een (niet-literair vertalende) collega vertelde dat zij ooit de opdracht kreeg om een Italiaanse webshop voor beddengoed te vertalen. Op een gegeven moment gebruikte ze tussen de hoeslakens en overtrekken het woord ‘sloop’, en toen de opdrachtgever haar vertaling ter controle door de vertaalmachine haalde ontdekte hij dat dat ‘demolition’ betekent en keurde hij de vertaling af. Toen zij hem niet van zijn ongelijk kon overtuigen heeft ze het zo slecht als ze kon opgelost door iets als ‘kussenomwikkellap’ te gebruiken, wat wél werd goedgekeurd.
Ze proeven het toch niet.
Terug naar mijn slager. Die kreeg geen eer van zijn werk omdat het grootste deel van zijn publiek minder om kwaliteit dan om lage prijzen gaf. En toen kwam er tot overmaat van ramp ook nog een supermarkt in het dorp. Waar je veel goedkoper vlees kunt vinden, weliswaar van veel slechtere kwaliteit, maar daar maalt geen hond om.
Ai. Oftewel: A I.
ik denk niet dat wij als beroepsgroep in staat zullen zijn om AI-vertalingen tegen te houden
Deze overeenkomst – tussen de opkomst van de supermarkt in het dorp van mijn roman en die van AI in de vertaalwereld – is puur toeval: toen ik Ossenkop begon te schrijven was AI nog nauwelijks een issue. Maar hij sluit wel prachtig aan: AI vertaalt goedkoper en minder goed, terwijl veel lezers dat niet of nauwelijks – bewust – zullen merken. En zoals Rensing door de supermarkt veel minder klanten kreeg – ze kwamen bij hem omdat ze geen keus hadden, nu verkiezen ze goedkoop boven goed – zo moeten wij als vertalers vrezen dat ook onze afzetmarkt zal krimpen door AI. Want kwaliteit is een luxeproduct, veel consumenten proeven het toch niet, en daar valt voor vertalers nauwelijks tegenop te boksen.
In het geval van AI is er nog de verzwarende omstandigheid dat er gebruik wordt gemaakt van al het werk dat wij vertalers en schrijvers al tientallen, honderden, duizenden jaren verrichten. De actie van de Auteursbond – AI=JATWERK – vind ik dus verschrikkelijk belangrijk, al denk ik niet dat we als beroepsgroep in staat zullen zijn om AI-vertalingen tegen te houden; de actie van de Auteursbond is misschien vooral nuttig om ervoor te zorgen dat we iets van een vergoeding krijgen voor het feit dat ons werk gejat is en nog steeds gejat wordt. Ik denk namelijk dat de financiële en economische belangen van AI zo groot zijn dat wij, de wereldomvattende literaire wereld, daar volkomen bij in het niet vallen. Ter illustratie: de beurswaarde van Nvidia, producent van GPU’s die gebruikt worden voor AI, is in de afgelopen jaren met duizenden miljarden dollars gestegen. En dat is maar één van de tientallen, honderden partijen die biljoenen verwachten te verdienen aan AI. Ik sluit niet uit dat de rechter ons als tekstmakers gelijk zal geven, maar wel dat dat ertoe gaat leiden dat het gebruik van onze teksten voor het trainen van AI’s zal ophouden. En zelfs als onze beroepsgroep wordt gecompenseerd met een uitkering ter hoogte van de wereldwijde jaaromzet van de gehele fictiemarkt – zestig miljard dollar – dan is dat nog steeds maar 2% van de waardestijging van NVIDIA, van één van tientallen bedrijven dus. Als ze ertoe gedwongen worden, zullen ze dat best willen betalen.
We vertalen niet alleen een tekst, maar leven ons continu in in wat de lezer begrijpt van de wereld die in de tekst wordt opgeroepen. We leggen verbanden, verwijzen, insinueren, masseren, suggereren, halen aan, verbinden
Ik ben bang dat vertalers op zoek zullen moeten naar een nieuwe plek in een wereld met AI. Maar welke dan? Hoe kunnen we ons onderscheiden? Wat maakt ons uniek? Wat kunnen wij dat AI niet kan en (misschien) nooit zal kunnen?
Ik wil het hier over drie punten hebben: inlevingsvermogen – in de lezer en de auteur –, integriteit, en originaliteit.
Laat ik beginnen met inlevingsvermogen. Vorig jaar heb ik samen met Eefje Bosch Giovanni’s Room van James Baldwin vertaald. De Amsterdamse boekhandel Athenaeum vroeg ons toen om een stukje te schrijven en iets te vertellen over de vertaling van de eerste zin van het boek. Wij besloten om onze eigen versie van de eerste zin te vergelijken met de vertaling die ChatGPT ervan maakte, en wat daaruit kwam is zo’n mooie illustratie van het verschil tussen een menselijke en een AI-vertaling dat ik het hier in hoofdlijnen ga herhalen.
De eerste zin van Giovanni’s Room luidt:
I stand at the window of this great house in the south of France as night falls, the night which is leading me to the most terrible morning of my life. I have a drink in my hand, there is a bottle at my elbow.
ChatGPT maakt hiervan:
Ik sta bij het raam van dit grote huis in het zuiden van Frankrijk terwijl de avond valt, de avond die me leidt naar de meest verschrikkelijke ochtend van mijn leven. Ik heb een drankje in mijn hand, er staat een fles naast mijn elleboog.
Op het eerste gezicht een prima vertaling: er kan nog iets gladgestreken worden maar veel is het niet. Inhoudelijk staat het meeste er wel in. Toch zijn er een paar kleine maar belangrijke dingen verloren gegaan. Er zijn er twee waarbij ik even stil wil staan.
I have a drink in my hand, there is a bottle at my elbow.
‘At my elbow’: ChatGPT maakt daar heel braaf ‘naast mijn elleboog’ van. Maar ‘at my elbow’ is een vaste uitdrukking die zoveel betekent als ‘bij de hand’ of ‘binnen handbereik’. Elleboog is hier dus een beetje raar, zeker omdat degene die dit zegt niet zit maar staat. Als je aan tafel zit, kan de fles prima bij je elleboog staan maar als je staat wordt dat ingewikkelder.
In het origineel heeft ‘drink’ een link met ‘bottle’ en ‘hand’ met ‘elbow’:
I have a drink in my hand – There’s a bottle by my elbow.
Het parallellisme heeft ChatGPT gehandhaafd: ‘Ik heb een drankje in mijn hand, er staat een fles naast mijn elleboog’. Met dien verstande dat het ritmisch niet zo mooi meer is: dat ‘drankje’ zou een lettergreep minder moeten hebben om het ritme te behouden. Met andere woorden: het staat er, maar het zou er ook kunnen staan in een vorm die meer recht doet aan de stijl van het origineel.
Met het tweede punt raken we echt de kern van de literatuur en van literair vertalen: ChatGPT vertaalt The south of France met Het zuiden van Frankrijk. Want wat Baldwin hier natuurlijk bedoelt is niet ‘het zuiden van Frankrijk’ – een slecht afgebakend, onduidelijk, en vooral nietszeggende plaatsaanduiding – maar zuid-Frankrijk: de Provence, lavendel, tsjilpende krekels. Baldwin verwijst hier naar iets wat voor veel lezers direct van alles oproept – uitzichten, geuren, herinneringen, het gevoel van vrijheid en vakantie – die ontzettend contrasteren met het verdriet en de pijn die de hoofdpersoon zal blijken te voelen. Hier gaat dus een aanzienlijk deel van de emotie van het origineel verloren omdat de AI niets bij de lezer aanspreekt.
Het handhaven en overbrengen van ervaringen is dus een rol van vertalers die verder gaat dan het eenvoudigweg overzetten van de tekst. Daarmee vertel ik natuurlijk niks nieuws, maar ik vond het heel leuk om dat zo overduidelijk in de praktijk te zien. We vertalen niet alleen een tekst, we leven ons ook continu in in wat de lezer begrijpt van de wereld die in de tekst wordt opgeroepen. We leggen verbanden, verwijzen, insinueren, masseren, suggereren, halen aan, verbinden, proberen in te schatten wat onze lezers wel en niet weten van een andere cultuur. Taal is één ding, begrip is een tweede, en bewust of onbewust ben je als vertaler continu bezig met de vraag: wat weet een Nederlandstalige lezer van de wereld die hier beschreven wordt, en in hoeverre heeft een lezer in de brontaal die kennis wel? Wie is de doelgroep, welke dingen moeten als onbekend worden verondersteld bij Nederlandstalige lezers? Dit soort kwesties kan AI (nog) niet oplossen, en het is de vraag (maar dat durf ik bijna niet hardop te zeggen) of AI dat ooit wél zal kunnen.
Dit is alvast één streepje dat we voor hebben op AI. Wij hebben een leven geleefd, gereisd, bemind, ervaren. Veel woorden die we lezen roepen herinneringen bij ons op. Sommige persoonlijk, maar vele gedeeld.
het gaat er niet alleen om dát een bepaalde tekst geschreven is, maar ook wanneer, en door wie.
Zoals gezegd zijn er nog twee punten waarop wij, als tekstprofessionals, AI kunnen verslaan, die nauw met het bovenstaande zijn verweven: Originaliteit en integriteit.
Om met integriteit te beginnen.
Het snelste object dat ooit is waargenomen is een putdeksel dat bij een kernproef van de VS werd gelanceerd. De snelheid daarvan is alleen bekend omdat het deksel toevallig te zien was op de beelden van een hogesnelheidscamera, waarbij uit het aantal frames waarop het ding te zien is blijkt dat het met een snelheid van ten minste 26 kilometer per seconde gelanceerd moet zijn.
Daarbij vergeleken is 36 kilometer per uur volkomen verwaarloosbaar. We kunnen dus concluderen dat die één miljard kijkers niet naar de Olympische finale van de 100 m sprint kijken om te zien welk object in het universum zich het snelste verplaatst – maar omdat ze willen zien wat een mens voor elkaar kan krijgen. Ze willen iets leren over menselijk kunnen, menselijke kracht, ze zoeken misschien een voorbeeld, iets om naar te streven, iemand om onder de indruk van te zijn. En stel dat er op de volgende Olympische Spelen robotraces zullen worden gehouden, dan zal de aandacht en bewondering ieder uitgaan naar de teams van wetenschappers achter die robots dan naar de robots zelf.
Zoals ook de schilderkunst niet uitstierf na de komst van de fotografie.
Wat ik dus integriteit noemde, komt hierop neer: het gaat er niet alleen om dát een bepaalde tekst geschreven is, maar ook wanneer, en door wie. Om een heel extreem voorbeeld te geven: als het dagboek van Anne Frank, zeg, in de jaren tachtig was geschreven door een mannelijke schrijver van middelbare leeftijd, dan was het nooit in honderdvijftig talen vertaald. We lezen niet om het ‘perfecte’ verhaal te vinden, wat dat dan ook mag zijn, we lezen om iets te leren over de mensen om ons heen, over de wereld om ons heen. En we willen nieuwe dingen over ze leren.
Nieuwe dingen, dat brengt me bij het derde punt.
iedere taalgebruiker staat op de schouders van alle taalgebruikers die eerder kwamen, verwijst naar hen door middel van bewuste of onbewuste citaten, door intertekstualiteit
AI is per definitie onorigineel. Die actie van de Auteursbond heet AI=JATWERK en terecht. AI put uit een bibliotheek van bestaande dingen. Deze formulering is natuurlijk veel te kort door de bocht, en als je aan AI vraagt: schrijf een zin die nog nooit geschreven is, dan komt er heus wel iets tevoorschijn – maar dat is geen originaliteit: dat is, vanwege het ontbreken van onderliggende integriteit, willekeur. Iets kan heel knap, technisch perfect zijn, maar uiteindelijk niks toevoegen. Neem een schilder die nu, in 2025, schildert zoals Jan van Eyck. Die maakt een heel ander schilderij als Jan van Eyck destijds deed. Waar Van Eyck vernieuwend was, is dit een imitatie van een stijl. Kunst is een ‘stapelvak’ zoals dat op de school van mijn zoontjes heet: iedere kunstenaar, iedere taalgebruiker staat op de schouders van alle taalgebruikers die eerder kwamen, verwijst naar hen door middel van bewuste of onbewuste citaten, door intertekstualiteit… Dus als zo’n schilder een perfect schilderij van een 17e-eeuws stilleven schildert of als AI dat zou doen – tja, dan is dat allebei niet zo interessant.
Waarom niet? Omdat het een imitatie is. Het is niet iets echts, niet iets nieuws. Het houdt geen verband met de wereld waarin we leven. Als een AI ervaringen probeert te beschrijven die nog nooit eerder zijn beschreven – wat misschien wel het doel van de literatuur is – dan heeft die niets om op terug te vallen.
*
Inlevingsvermogen, originaliteit, integriteit. Ik denk dat dat drie kernpunten zijn waarmee we onze positie als tekstmakers kunnen waarborgen. We moeten ons profileren op de punten waar AI niks van bakt en ook nooit iets van zal bakken omdat ze voor AI per definitie onmogelijk zijn. We moeten verklaren en inleven. We moeten manieren vinden om dingen op te schrijven die nog nooit zijn opgeschreven. We moeten vernieuwen, in welke vorm dan ook, in plaats van ons vast te klampen aan hoe het was. Vergelijk de opkomst van de fotografie, die ik net al even noemde: voordat die er was, had niemand kunnen voorspellen hoe de schilderkunst daarop zou reageren. Maar het impressionisme en alles wat daarna kwam is een van de meest vruchtbare periodes uit de Europese schilderkunst. Ik denk dat het aan ons, vertalers, dichters, schrijvers, noem maar op, is om dat ook te laten opgaan voor de letteren.
Het slechte nieuws is dat er voor ons als beroepsgroep in het algemeen minder werk over zal blijven. Er zijn zat lezers, en helaas ook zat uitgevers, die dat hele verhaal van originaliteit en integriteit met alle liefde zullen opofferen aan meer winst of lagere prijzen.
Nog meer slecht nieuws is dat ik geen idee heb hoe die vernieuwingen eruit zouden moeten zien – maar eigenlijk is dat precies de bedoeling. In 1800 hadden ze ook geen flauw idee hoe de schilderkunst zich zou gaan ontwikkelen. En de angst was er ook. Terecht, want veel portretschilders zullen opdrachten zijn kwijtgeraakt, heel veel werk werd overgenomen door de fotografie. Tegelijk heeft de fotografie enorm veel jatwerk gepleegd op de schilderkunst; hoe je poseert, wat een mooie lichtval is, diagonalen, compositie… Maar het eindresultaat is dat fotografie en schilderkunst tegenwoordig naast elkaar bestaan als twee verwante, maar volstrekt verschillende kunstvormen.
Het is aan ons, net zoals het destijds aan Morisot, Monet, Pissaro, Breitner was, om een nieuwe rol te vinden, een nieuwe relevantie
De slager uit mijn roman is het niet gelukt om zich aan te passen aan de nieuwe tijd. En hoe het met hem is afgelopen gun ik geen enkele vertaler. Maar het had best beter met hem kunnen aflopen.
Het is aan ons, net zoals het destijds aan Morisot, Monet, Pissaro, Breitner was, om een nieuwe rol te vinden in een veranderde wereld, een nieuwe relevantie; en volgens mij kan dat het beste aan de hand van de drie punten die ik hierboven heb genoemd: integriteit, originaliteit, en inlevingsvermogen. Met andere woorden: we moeten ons nóg meer bewust worden van de rol die we hebben, als gids, als overbrenger niet van de ene taal naar de andere, maar van de ene cultuur naar de andere – van de ene mens naar de andere.
Ik zeg niet dat de toekomst rooskleurig is en ook niet dat we geen werk gaan verliezen. Ik zeg wel dat we als vertalers, schrijvers, tekstmakers nog lang niet zijn uitgespeeld, dat we een spannende tijd tegemoet gaan maar dat we daar we net zo goed heel veel uit kunnen halen.