
Athenaeum Boekhandel vroeg ons – Eefje Bosch en mij, covertalers – een stukje te schrijven over onze vertaling van de eerste zin van deze warme roman, zoals we dat ook over de eerste zin van James Baldwins Giovanni’s Room hebben gedaan. We zeiden ja, maar we hebben gesmokkeld. We wilden het namelijk niet over de eerste zin hebben maar over de titel, waarover veel meer te vertellen is dan over de eerste zin.
Bij de schrijfcursussen die ik heb gevolgd werd er steevast op gehamerd dat een verhaal een protagonist moet hebben die iets wil, die iets probeert te bereiken; en dat dat streven en de hindernissen daarbij het verhaal voortstuwen.
Zelf wil ik lang niet altijd iets; vandaar mijn verwantschap met de hoofdpersonen in dit boek – die willen ook niks. Bijna niks, in elk geval: de ene wil verkering met een meisje van z’n werk en de andere wil gewoon lekker alleen met zijn gedachten zijn. En om die doelen te bereiken gaan ze niet over lijken, verbranden ze geen schepen, doden ze geen draken – blijven ze gewoon lekker in de buurt van hun huis hangen en maken ze geen drama.
Toen ik mijn debuutroman schreef had ik steeds het gevoel dat mijn hoofdpersoon te gewoon was, te saai, en dus deed ik er steeds weer schepjes bovenop totdat hij larger than life was. Het fijne aan Leonard en Hungry Paul is dat de auteur erin geslaagd is om ze eerder te verkleinen dan uit te vergroten: al hun wensen, al hun emoties, wraakzucht, verlangens en agressies hebben een menselijke maat, net zoals bij Jou en Mij. En het bijzondere is dat dat best onderhoudend blijkt te zijn. Dat het feit dat we met z’n allen naar dingen streven die niet groot zijn helemaal niet hoeft te betekenen dat je daar alleen saai over kunt vertellen.
Of mijn volgende boek ook over kleine muisjes met kleine wensjes zal gaan? Ik weet het niet: zelf ben ik meer van de gestampte mensjes; maar dit soort boeken lees ik graag, heb ik ontdekt.
Deze vertaling kwam tot stand met een bijdrage van het Letterenfonds, waarvoor veel dank.
