Émile ziet de mensen naar hem kijken en het maakt zijn stappen zekerder. Er ligt een glimlach om zijn dunne lippen. Hij omklemt de tulpen die hij zojuist bij de Turkse bloemist heeft gekocht; de bundel stelen ligt als een oudevrouwenpols in zijn hand.
Zelfs de jongedames kijken naar hem. Vroeger waren ze mooier, vond Émile. Tegenwoordig zitten ze op te hoge fietsen en kijken ze stuurs voor zich uit, alles en iedereen negerend, dwars door alles heen afgaand op hun doel. En dan dat geklets in die microfoontjes. Ze spinnen een cocon waarin onbekenden ongewenst zijn.
Maar vandaag is alles anders. De wereld heet hem welkom. Zijn pak is misschien niet de laatste mode, zijn stropdas ook niet, maar samen kostten ze maar een tientje bij de kringloop. Tweeëntwintig gulden. En vanochtend vond hij waarachtig nog een bodempje eau-de-cologne in de badkamer; en af en toe, bij een plotselinge windvlaag, vangt hij daar iets van op.
Hij merkt dat zelfs zijn bewegingen eleganter zijn geworden. Waar hij meestal probeert weg te vallen tegen de grijze muren loopt hij nu midden op de stoep: een oude maar krasse kerel, op zijn paasbest op een lentedag.
Het is niet ver meer naar zijn bestemming. Hij heeft een afspraak met Lorelise. Op de hoek van de Rijnstraat wacht ze op hem, na veertig jaar. Ze heeft hem in het telefoonboek op internet gevonden. Ze heeft hem gebeld en hij was verbaasd dat de telefoon ging.
Lorelise: de grote liefde. De vrouw die hij heeft laten lopen.
Als hij de kruising nadert hoort hij een ijle, fragiele stem. ‘Émile!’ Hij kijkt om zich heen, hij ziet haar aan de overkant staan en hij kan het niet helpen maar hij schrikt. Ziet hij er ook zo uit? Als hij in de spiegel kijkt, ziet hij heus de gerimpelde lippen, het kunstgebit, het knokige voorhoofd wel, maar door de kreukels heen ook nog de jonge, atletische, zij het ietwat stugge jongeman die hij ooit was. Bij haar lijkt alles wat hij zich herinnert verdwenen, ook al lacht ze, ook al is ze overduidelijk blij om hem terug te zien.
Ik ben een idioot, denkt hij. Het is zestig jaar te laat.
Een ogenblik blijft hij staan, dan neemt hij een besluit en loopt hij door. Wie is dat rare mens dat staat te roepen? Hij kent haar niet, hij is op weg naar een ander afspraakje, die bloemen zijn voor iemand anders. Ze roept hem opnieuw: ‘Émile!’, maar hij loopt door. Bijna kan hij de hoek omslaan, bijna is hij veilig. Ze roept nog een laatste keer, en net als hij denkt dat hij is ontkomen, wordt hij op de arm geklopt door een passant die zegt: ‘Hé meneer, u wordt geroepen door die mevrouw aan de overkant.’ Dan heeft hij geen andere keus dan de uitgestoken vinger te volgen en een dunne hand naar haar op te steken. En tijdens het oversteken begrijpt hij opeens waarom iedereen vandaag naar hem kijkt, want hij is een oude stinkende gek in een belachelijk kostuum, die als een pauw zo trots door de straten paradeert.