‘Wat een heer,’ zegt ze wanneer ik de deur van de zitkamer voor haar openhou. Haar haar ruikt naar perzik. Ze glimlacht.

‘Ga zitten,’ zeg ik en ik wuif naar de bank. Ze neemt plaats op het puntje van de zitting, met haar rug naar de schuifpui die de hele achtermuur beslaat.

‘Wil je iets drinken?’ vraag ik. Ik zet het bijzettafeltje dichter bij haar benen. ‘Zelf drink ik altijd koffie, maar jij hebt vast liever thee met zoethout of aardbei. En ik heb appelsap.’

Ze buigt zich naar me toe, raakt net mijn arm niet aan. ‘Doet u maar geen moeite, meneer Huizinga. Ik ben allang blij dat ik u iets mag vertellen over ons fantastische zenderaanbod.’ Ze heeft een rode map met een wit logo bij zich, die ze naast zich legt. Met twee handen strijkt ze haar rok glad.

De schuifpui staat open. Een vogel kwettert. Haar haar weerkaatst de zomerzon. Ik sta achter mijn fauteuil en kijk naar haar.

‘Meneer Huizinga, wat een supermooi huis hebt u. Zoveel licht, maar toch blijft het koel.’

‘Jaren vijftig-chic. Wederopbouw, maar dan anders.’

‘En wat een mooie plant bij de televisie.’ Ze kijkt me aan. Grote, lichtgrijze, zwart omlijnde ogen.

Ik loop naar de plant en streel een blad. ‘De Dracaena draco. Drakenbloedboom. Als je een kerf in de bast maakt komt er een dieprode vloeistof uit. Vandaar de naam. Ik laat het je zien.’ Ik pak het fruitmesje van het bordje op de middentafel.

‘U bent natuurliefhebber. Dat komt goed uit.’

‘O?’

Ze houdt haar hoofd schuin. ‘Kent u National Geographic? Dat tijdschrift met die prachtige foto’s? Die hebben ook een televisiezender. Daar kunt u net zoveel natuurfilms zien als u maar wilt. Altijd wat wils voor een liefhebber zoals u.’

Ik maak een verticale kerf in de stronk. De wond kleurt rood en het bloed begint te druppelen. Een wonder van de natuur. Maar ze kijkt niet: ze schrijft iets in haar map. Ik kom overeind en leg het mes weer op het bordje.

‘Hoef je niet zo’n windjack met logo te dragen?’ vraag ik dan maar.

Ze lacht hardop. ‘Nee, gelukkig niet.’ Aan weerszijden van haar gezicht hangen blonde haren die ze nu met haar wijsvingers achter haar oren veegt. ‘Wat is het warm vandaag. Wat voor zenderpakket heeft u nu, als ik vragen mag?’

‘Eerlijk gezegd kijk ik niet zoveel televisie.’

Ze trekt haar wenkbrauwen op. ‘Echt niet? Daar geef ik u ongelijk in. Zo’n buitenmens als u. Er zijn zulke prachtige dingen te zien. Vierentwintig uur per dag. In schitterende hd-kwaliteit, als uw toestel dat ondersteunt.’

‘Ik weet het niet. Ik kijk naar de publieke omroep en soms de bbc. Dat vind ik wel genoeg.’

Ze houdt haar hoofd schuin. ‘Meneer Huizinga, u weet niet wat u mist. Als ik u de flyer mag laten zien…’

‘Folder.’

‘Sorry?’

‘Vroeger heette dat een folder,’ zeg ik. ‘En toen waren er van de ene dag op de andere geen folders meer, alleen nog maar flyers. In 1998 was dat, of daaromtrent. In elk geval vlak voordat ik met de vut ging.’

Haar glimlach wankelt even. ‘Weird.’

‘Dat was zeker weird.’

Ze zoekt naar een aanknopingspunt; haar blik vindt de foto op het dressoir. ‘Wat hebt u een schattige kleinkinderen.’

‘Welnee, dat zijn mijn kinderen.’

‘O sorry, ik dacht…’

‘Het is een oude foto.’

‘In elk geval zullen uw kleinkinderen heel bij zijn als ze bij opa Nickelodeon kunnen kijken. Of Zappelin. Cartoon Network. Telekids.’

‘Ik heb geen kleinkinderen.’

Ze bijt op haar lip. Ze staat op en loopt naar het openstaande deel van de schuifpui, gaat op de drempel staan en kijkt naar buiten. Ze ziet mijn bloembedden en daarachter de sloot, de weilanden met kalveren, de boerderijen verspreid door het land. Het gras is felgroen. Ze draagt een lichtgrijs rokje met dunne lichtblauwe strepen.

‘Wat een mooi uitzicht, meneer Huizinga.’

‘Geen televisie meer nodig.’

Ze kijkt niet-begrijpend om.

‘Zo zeiden we dat vroeger. Met zoveel schoonheid om je heen heb je geen televisie meer nodig.’

Haar glimlach is terug. ‘Dat is misschien wel waar, meneer Huizinga. Maar digitale televisie opent weidse vergezichten die anders verborgen blijven.’ Haar gebit is wit en regelmatig. Kleine hoektanden. Felrode lippen met de textuur van kippenlever.

‘O ja?’

‘Neem nou Discovery Channel. Of History Channel. Die zenden allemaal schitterende documentaires en kennisprogramma’s uit. Een paar weken geleden heb ik een film over de Serengeti gezien. Luipaarden die op antilopen jagen. De natuur kan zo mooi zijn.’

Ik pak de rugleuning van de fauteuil vast. ‘Oudere luipaarden spelen met hun prooi. Als ze een antilopejong te pakken krijgen, drijven ze het soms urenlang op. Tot het instort van vermoeidheid. Ze geven het de ruimte, halen het weer in. Ze laten het bijna ontsnappen, en net als de prooi denkt dat hij het er levend vanaf gaat brengen, slaan ze alsnog hun slag. Soms denken die antilopen dat het een sp lletje is. Tot ze erachter komen dat spelletjes gevaarlijk kunnen zijn, en dan: bam. Afgelopen. Vind je dat mooi?’

‘Interessant, dan.’ Ze draait zich van me weg en trekt het topje onder haar blouse omhoog.

‘Kom je uit het dorp? Volgens mij heb ik je nog nooit gezien.’

‘Nee, ik woon in de stad. We zijn hier met een groepje naartoe gekomen.’

‘Aha. Op onbekend terrein. Studente zeker?’

‘Ja.’

‘Wat studeer je?’

Haar blik buigt om me heen, zoekt een route naar de voordeur. ‘Ik kan u alle zenders een maand op proef aanbieden, meneer Huizinga. Als het niet bevalt, laat u dat gewoon voor het einde van de maand weten.’

‘Heb je zelf pluspakketten?’

‘Natuurlijk.’ Ze kijkt naar de tuindeur. De sloot achter het huis is nu zo breed als de Zambezi.

‘Je kunt het vanaf hier niet zien, maar links tussen de varens ligt een bruggetje naar het weiland,’ zeg ik behulpzaam.

‘Meneer Huizinga, als ik niets voor u kan betekenen, dan ga ik maar.’ Ze loopt naar de bank, bukt om haar map te pakken. Ze propt haar pennen en folders erin en loopt naar de voordeur.

‘Weet je, nu ik er over nadenk…’ zeg ik.

Ze blijft staan. Drukt haar map tegen zich aan. Ik loop naar haar toe en ga voor haar staan.

‘Eigenlijk heb je gelijk,’ zeg ik. Stel dat ik kleinkinderen krijg, dan is het leuk als ze iets bij opa kunnen kijken. Misschien ga ik toch maar overstag. Ga nog even zitten, dan regelen we het.’

‘Onder ons gezegd,’ zegt ze, terwijl ze om me heen stapt. ‘Het is een drie-in-éénpakket. U zou er ook internet bij moeten nemen, en dat heeft u misschien al. Bovendien is onze bitrate vrij laag in deze straat. Eerlijk gezegd kunt u beter bij uw eigen provider…’

Ik steek mijn hand op. ‘Kind, die vaktermen zeggen me niks. Ga nou even zitten en vertel over die aanbieding die je mag doen. Hoeveel gaat het me kosten?’

Ze haalt haar telefoon tevoorschijn en kijkt op het scherm, maar niemand belt.

‘Ga nou zitten, dat praat veel gemakkelijker.’

Ze loopt naar de bank en gaat zitten, doet het bovenste knoopje van haar blouse dicht.

‘Je hebt het koud,’ zeg ik. ‘Misschien is het inderdaad frisser geworden.’ Ik loop naar de tuindeur, trek hem dicht en draai de sleutel om.

Rode vlekken in haar nek. ‘U kunt het net zo goed per telefoon regelen. Achterop de folder staat een gratis nummer. Lees alles op uw gemak door, dan kunt u bellen als u een keuze hebt gemaakt.’

‘Maar dan loop jij je commissie mis!’

Ze glimlacht, met haar lippen op elkaar geperst.

‘Ik weet wel een beetje hoe dit werkt. Je krijgt toch

commissie? Hoeveel per abonnee? Honderd euro? Honderdvijftig?’

‘Vijfenzeventig.’

‘Ach, zo weinig maar? Dan vind ik het nog belangrijker dat je wat verdient. Je bent al zo lang met me bezig.’

Ik ga op de armleuning van mijn fauteuil zitten. ‘Eigenlijk is het best riskant dat ze meisjes zoals jij moederziel alleen bij wildvreemden naar binnen laten gaan. Hebben jullie een onderling waarschuwingssysteem? Voor gevaarlijke situaties?’

Ze begint over het scherm van haar telefoon te vegen en berichten te schrijven.

‘Je hebt zeker afspraken waar je naartoe moet,’ zeg ik.

‘Ja. En anders vragen ze zich af waar ik blijf,’ antwoordt ze.

‘Welnee, ze weten heus wel dat je aan het werk bent.’ Ze kijkt naar me op. ‘Ik ga nu weg,’ zegt ze.

‘En je commissie dan?’

Ze zegt niks, kijkt me strak aan.

‘Als je weg wilt, moet je gaan, kind,’ zeg ik.

‘Dan ga ik.’

‘Ik hou je niet tegen.’

Ze staat op, pakt de map, kijkt of ze niets vergeten is. In een grote boog loopt ze met snelle passen naar de voordeur. Ze trekt aan het slot, maar de deur gaat niet open.

‘Het palletje van het nachtslot. Naar je toe trekken,’ roep ik.

Ze trekt de deur open en gooit hem achter zich dicht.

Ik loop naar de voordeur. Ik schuif het gordijn opzij en zie hoe ze gehaast naar een groepje leeftijdsgenoten loopt, die met identieke rode mappen bij een personenbusje staan en water uit kleine flesjes drinken. Hoe dichterbij ze komt, hoe rustiger haar stappen worden. En als een collega haar ook een flesje toe werpt, is er niets bijzonders meer aan haar te zien.