Zo werkt kapitalisme: je laat bij de benzinepomp een lege colafles met diesel vullen, en dan loop je door de drukkende avond naar de taxistandplaats achter het treinstation. Je loopt langs de lange rijen taxi’s, de zwarte taxi’s met gele daken, terwijl uit luidsprekers filmmuziek schalt. Overal klinken stemmen, claxons, schelle muziek. Je bent als de honden die met hun neus op de grond naar eten zoeken.

Je spreekt de taxichauffeurs aan die in groepjes bij elkaar staan te roken. ‘Fuel, fuel,’ zeg je, en ze negeren je, een enkeling schudt zijn hoofd, heel soms maakt een van hen een rauwe grap.

Je bent een van de velen. Hier worden losse sigaretten verkocht, ruitenwissers, thee met melk uit een ketel op een kar met fietswielen. Hier heeft alles waarde: bananenbladeren, kapotte autobanden, bundels dunne elastiekjes.

Urenlang loop je langs de taxirij totdat de nacht kouder wordt. Wat niet verandert zijn de schelle muziek en het TL-licht, maar de verkopers gaan naar huis, de honden vallen in slaap, de chauffeurs raken verveeld. Je sjokt heen en weer over de stoep waar steeds meer mensen liggen te slapen, onbedekt op rieten matten. ‘Fuel, fuel,’ zeg je nog steeds. Continu. Op fluistertoon.

En dan, onvermijdelijk, altijd, is er een chauffeur die de hele dag en nacht nog geen rit heeft gehad, en gisteren misschien ook niet, wiens vrouw misschien ziek is of wiens kind is verdwenen, die geen geld heeft voor een volle tank, een halve tank, of zelfs maar vijf liter. Hij wenkt je, je gaat naar hem toe.

Hij vraagt waar de brandstof vandaan komt. ‘Indianoil,’ zeg je. Hij knikt, neemt de fles van je over, houdt hem tegen het licht. Hij draait hem open, houdt hem onder zijn neus. Alsof hij zo kan ruiken of je hem hebt aangelengd. Uiteindelijk vraagt hij hoeveel de fles moet kosten, en je noemt een prijs van anderhalf keer wat je ervoor betaald hebt. Hij noemt een lager bedrag, en uiteindelijk komen jullie eruit. Hij telt het geld af, geeft je bijna al zijn bankbiljetten. Hij knoopt de plastic zak los die de benzinetank afsluit en giet de fles klokkend leeg. Je neemt de lege fles weer van hem over.

Zo werkt kapitalisme. Dankzij het geld dat je hebt verdiend, kun je de volgende nacht iets meer benzine kopen. Als je maar lang genoeg doorgaat krijg je een tweede fles vol. En een derde. Van de winst koop je een jerrycan. Vijf liter sjouw je mee, je zet hem op je schouder en stapt iedere avond door de lawaaiige straten naar de taxistandplaats, en hoe meer diesel je hebt, hoe dieper en zelfverzekerder je stem. ‘Fuel, fuel,’ roep je, en ze verdringen zich om je diesel te kopen. Ooit ben je rijk genoeg om de benzinepomp van Indianoil over te nemen, en je naam, die je zelf nooit hebt leren schrijven, laat je met neonletters op de overkapping zetten.

Behalve dan dat je maag knort en dat je geen andere keus hebt dan met je schamele winst wat rijst en linzen te kopen. Je slaapt op de stoep, tussen de anderen, met de lege fles tegen je aan geklemd.

Zo werkt kapitalisme.