‘Sterb! Sterb! Sterb!’ zeg ik in steenkolenduits. De mensen om me heen kijken verschrikt. Dit verwacht je niet tijdens de ochtendspits.

De buschauffeur bekijkt me door zijn spiegel. Het is zo snel gegaan, niemand weet zeker wie het heeft gezegd. Nee, dat klopt niet. Iedereen weet dat ik het heb gezegd. Maar het is zo snel voorbij dat niemand zeker weet óf het is gezegd. Ik glimlach naar de mensen die me aankijken. Ik geloof dat ik angst in hun ogen zie. Ik probeer me er blij door te voelen, maar dat lukt niet.

Nu kijkt de buschauffeur iedere paar seconden naar me. Ik doe alsof ik het niet doorheb, maar als we de Wibautstraat inrijden en hij, als de bocht genomen is, opnieuw in de spiegel kijkt, kijk ik strak terug. Betrapt kijkt hij weg. Ik blijf kijken, hij waagt het opnieuw, maar als hij me ziet kijkt hij weer weg.

De mensen die dichtbij me zaten zijn bij de vorige haltes uitgestapt. Kennelijk moesten ze daar allemaal zijn. Allemaal behalve ik.

En als de chauffeur zo vaak in de spiegel kijkt, komt de verkeersveiligheid in het gedrang.

‘De verkeersveiligheid komt in het gedrang,’ zeg ik hardop.

De zin hangt in de stille bus.

Het rode stop-lampje gaat branden, ook al is de volgende halte nog ver weg.

Vijftien jaar geleden was er sprake van dat buschauffeurs een onopvallende knop op het dashboard zouden krijgen die ze konden indrukken als er iets niet pluis was, en die een lichtkrant op de achterkant van de bus in werking zou stellen met de tekst: HELP – BEL POLITIE. De gemeentepolitie, was het plan, zou de bus dan klemrijden, en twee agenten, blootshoofds en met zware koppelriemen, zouden manhaftig de bus in stappen om de oproerkraaiers in de kraag te vatten.

Wat zou deze buschauffeur kunnen zeggen? ‘Hij zei dat de verkeersveiligheid in het gedrang kwam’?

Een paar mensen stappen uit, een paar nieuwe mensen stappen in. Er komt iemand naast me zitten. Een economiestudent, daar twijfel ik niet aan.

‘Prijselasticiteit,’ zeg ik. ‘Marginale waarde.’ Ik weet wat er door hem heen gaat, hij denkt: was ik maar ergens anders gaan zitten. Heb ik weer. Fuck.

Ik zeg: ‘Was je maar ergens anders gaan zitten, hè? Fuck.’

Hij pakt zijn telefoon en begint te appen. Ik lees mee. Het gaat over vanavond. Hij heeft afgesproken met Tobias en Bram. Hij merkt dat ik meelees. Ik kijk weer in de spiegel, betrap de chauffeur, verjaag zijn blik. De student staat bij de volgende halte op, slaat zichzelf dan theataal op het voorhoofd alsof hij een domme vergissing heeft begaan en gaat weer zitten. Ergens anders. Bij de uitgang. Zodat hij weg kan. Op de vlucht. Voor mij? Ik doe toch geen vlieg kwaad, echt niet agent, ik ben onschuldig, wat heb ik gedaan, ja ik heb slecht geslapen vannacht en ik heb vanochtend niet gedoucht, wel deo gebruikt, dat is toch niet verboden? We hebben allemaal weleens zo’n dag, ik alleen wat vaker dan een ander maar dat zou ik zelf ook liever anders zien. Ik heb nog nooit gedreigd. Welnee agent, echt niet, ‘sterb’ is een wens, geen dreigement, en bovendien Duits. Denkt u dat ik het zelf leuk vind? Denkt u soms dat ik niet mee wil met Tobias en Bram vanavond, om bier te drinken en te blowen? Denkt u dat ik mijn studie niet had willen afmaken, dan was ik nu dokter, dan kon ik mensen helpen. En niemand helpt mij. Niemand. Agent, wilt u me helpen? Alstublieft. Sluit me maar op. Een nacht of een week, dan kan ik slapen. Ik wil zo graag slapen, agent. Ik wil slapen en eten en dat iemand zegt wat ik moet doen.

Maar er komt geen agent want ik heb niks gedaan, er is alleen de stem van de chauffeur door de intercom die zegt: ‘Amstelstation eindpunt’ en verder niks.